Geen teksten gevonden
[7,1] Moet een mens niet zwoegen op aarde en dagen maken van een dagloner?
[7,2] Zoals een slaaf verlangt naar schaduw, en zoals een dagloner uitziet naar zijn loon,
[7,3] zo ken ik vruchteloze maanden, en nachten vol getob zijn mij toebedeeld.
[7,4] Wanneer ik lig zeg ik: Zal ik opstaan? Maar de avond duurt lang. En tot de ochtend ben ik vol onrust.
[7,6] Mijn dagen verschieten sneller dan een weversspoel, ze lopen af, zonder hoop.
[7,7] Bedenk, mijn leven is een zucht, ik zal geen geluk meer zien.
[9,16] Dat ik het evangelie predik, is voor mij niets om me op te beroemen: ik kan niet anders. Wee mij als ik het evangelie niet verkondigde!
[9,17] Als ik het uit eigen beweging zou doen, dan had ik recht op loon; maar ik doe het niet uit eigen beweging, het is een taak die mij is toevertrouwd.
[9,18] Wat is dan mijn loon? Dat ik het evangelie kosteloos verkondig en geen gebruik maak van het recht dat het evangelie mij geeft.
[9,19] Hoewel ik van niemand afhankelijk ben, heb ik me toch de slaaf gemaakt van allen, om zo veel mogelijk mensen voor Christus te winnen.
[9,22] Met de zwakken ben ik zwak geworden om de zwakken te winnen. Ik ben alles wat je maar wilt om in elk geval een paar mensen te redden.
[9,23] En ik doe alles voor het evangelie om er ook zelf deel aan te krijgen.
[1,29] Vanuit de synagoge gingen ze regelrecht naar het huis van Simon en Andreas, samen met Jakobus en Johannes.
[1,30] De schoonmoeder van Simon lag met koorts op bed, en meteen spraken ze met Hem over haar.
[1,31] Hij ging naar haar toe, pakte haar bij de hand en liet haar opstaan. De koorts verliet haar, en ze bediende hen.
[1,32] ’s Avonds, toen de zon was ondergegaan, brachten ze allen bij Hem die ziek waren en die van demonen te lijden hadden.
[1,33] Heel de stad was samengestroomd voor de deur.
[1,34] Hij genas vele zieken van allerlei kwalen, en Hij dreef veel demonen uit; Hij stond de demonen niet toe te spreken, omdat ze wisten wie Hij was.
[1,35] En in alle vroegte, het was nog nacht, stond Hij op, ging naar buiten naar een eenzame plaats en bleef daar bidden.
[1,36] Simon en zijn metgezellen gingen Hem achterna,
[1,37] en ze vonden Hem en zeiden tegen Hem: ‘Iedereen zoekt U.’
[1,38] Hij zei hun: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de buurt, zodat Ik ook daar kan verkondigen. Want met dat doel ben Ik weggegaan.’
[1,39] En Hij ging in heel Galilea in hun synagogen verkondigen en dreef de demonen uit.
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
Er mogen niet meer dan 50 verzen geciteerd worden zonder schriftelijke toestemming!
Indien u deze tekst wil overnemen op een document, gelieve contact op te nemen met:
Katholieke Bijbelstichting
Postbus 1274
5200 BH \'s-Hertogenbosch
T +31 (0)73 613 32 20
F +31 (0)73 691 01 40