Geen teksten gevonden
[52,13] Zie, mijn dienaar zal slagen, hij zal oprijzen en hoog, zeer hoog verheven zijn.
[52,14] Er was een tijd dat velen ontzet waren: zijn verschijning was onmenselijk geschonden, en zijn uiterlijk had niets meer van een mensenkind.
[52,15] Maar eens zal hij vele volken opschrikken, dan sluiten koningen hun mond vanwege hem, omdat zij zien wat hun niet is verteld, en begrijpen wat ze nooit hebben gehoord.
[53,1] Wie heeft er geloofd in wat wij hebben gehoord? Aan wie is de arm van de HEER getoond?
[53,2] Als een jonge plant schoot hij recht omhoog, als een wortel die in dorre grond ontkiemt. Zijn uiterlijk noch zijn schoonheid waren het bekijken waard; hij was geen verschijning die onze bewondering wekt.
[53,3] Geminacht en gemeden werd hij door de mensen, man van smarten, met ziekte vertrouwd, een mens die zijn gezicht voor ons verbergt, door ons geminacht en als niet de moeite waard beschouwd.
[53,4] Hij heeft onze ziekten op zich genomen, en onze smarten heeft hij gedragen; wij echter beschouwden hem als een geslagene, door God gekastijd en vernederd.
[53,5] Hij werd doorstoken vanwege onze opstandigheid, vanwege onze zonden werd hij gebroken. Hij werd gestraft; ons bracht het vrede, en dankzij zijn striemen is er genezing voor ons.
[53,6] Wij allen zijn als schapen verloren gelopen, en ieder van ons is eigen wegen gegaan; maar de HEER heeft de schuld van ons allen op hem laten neerkomen.
[53,7] Hij werd gefolterd, maar hij onderwierp zich; hij heeft zijn mond niet geopend, zoals een lam dat naar de slacht wordt geleid. En zoals een schaap dat stom is voor zijn scheerders, heeft hij zijn mond niet geopend.
[53,8] Door een gewelddadig vonnis werd hij weggenomen; wie denkt nog over zijn bestemming na? Toch is hij uit het land van de levenden weggerukt, geslagen vanwege de opstandigheid van mijn volk.
[53,9] Men gaf hem een graf bij de boosdoeners, en een laatste rustplaats bij de rijken, hoewel hij geen onrecht heeft begaan en er in zijn mond geen bedrog is geweest.
[53,10] Maar het heeft de HEER behaagd hem ziek te maken en te breken. Waarlijk, hij heeft zichzelf tot een zoenoffer gemaakt hij zal zijn nakomelingen mogen zien, en lang blijven leven; en wat de HEER behaagt zal door zijn hand slagen.
[53,11] Vanwege het doorstane lijden zal hij het licht mogen zien en met kennis verzadigd worden. Mijn dienstknecht zal zich een rechtvaardige tonen voor velen, hun zonden laadt hij op zich.
[53,12] Daarom geef Ik hem zijn deel te midden van de velen, en samen met hun machthebbers verdeelt hij de buit, omdat hij zijn leven gaf om te sterven, en zich tot de opstandigen liet rekenen. Hij had echter de zonde van velen op zich genomen en kwam zo voor de opstandigen op.
[4,14] Nu wij een verheven hogepriester hebben, een die de hemelse sferen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten wij vasthouden aan onze belijdenis.
[4,15] Want wij hebben een hogepriester die in staat is om mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde.
[4,16] Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te vinden en zo hulp te krijgen op de juiste tijd.
[5,7] In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt tot God, die Hem uit de dood kon redden. Na de doorstane angst is Hij verhoord.
[5,8] Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd;
[5,9] en toen Hij tot de voleinding was gekomen, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, oorzaak geworden van eeuwige redding,
[18,1] Na dit gebed vertrok Jezus met zijn leerlingen naar de overkant van de Kedronbeek. Daar lag een tuin, waar Hij met zijn leerlingen binnenging.
[18,2] Ook Judas, die Hem ging overleveren, kende de plaats, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen.
[18,3] Zo kwam Judas erheen met de cohort en een aantal gerechtsdienaren van de hogepriesters en farizeeën, voorzien van fakkels, lantaarns en wapens.
[18,4] Jezus, die alles wist wat Hem zou overkomen, trad naar voren en vroeg: ‘Wie zoekt u?’
[18,5] Ze antwoordden: ‘Jezus, de Nazoreeër.’ ‘Ik ben het’, zei Hij, terwijl Judas, die Hem overleverde, erbij stond.
[18,6] Nauwelijks had Hij gezegd: ‘Ik ben het’, of ze deinsden achteruit en vielen op de grond.
[18,7] Nogmaals stelde Hij hun de vraag: ‘Wie zoekt u?’ ‘Jezus, de Nazoreeër’, zeiden ze.
[18,8] Jezus antwoordde: ‘Ik zei u al: Ik ben het. Als Ik de man ben die u zoekt, laat hen dan gaan.’
[18,9] Zo zou het woord in vervulling gaan dat Hij gesproken had: ‘Van hen die U Mij hebt toevertrouwd, heb Ik niemand verloren laten gaan.’
[18,10] Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, raakte de knecht van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af. De knecht heette Malchus.
[18,11] Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek dat zwaard in de schede. Zou Ik de beker niet drinken die de Vader Mij gegeven heeft?’
[18,12] Toen grepen de cohort met haar tribunus en de Joodse gerechtsdienaren Jezus vast en boeiden Hem.
[18,13] Ze brachten Hem eerst naar Annas. Hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was,
[18,14] dezelfde Kajafas die de Joden de raad had gegeven: u hebt er alle belang bij dat één mens sterft voor het volk.
[18,15] Nu waren Simon Petrus en nog een andere leerling Jezus gevolgd. Deze leerling was een kennis van de hogepriester en ging tegelijk met Jezus het paleis van de hogepriester binnen.
[18,16] Petrus was buiten aan de poort blijven staan; daarom ging de andere leerling, de kennis van de hogepriester, met de portierster praten en bracht toen Petrus naar binnen.
[18,17] Het meisje aan de poort zei tegen Petrus: ‘Bent u ook niet een van de leerlingen van die man?’ – ‘Ik? Welnee!’ zei hij.
[18,18] De knechten en de gerechtsdienaren stonden zich te warmen bij een houtskoolvuur dat ze hadden aangelegd omdat het zo koud was. Ook Petrus stond zich bij hen te warmen.
[18,19] De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en zijn leer.
[18,20] Jezus antwoordde hem: ‘Ik heb openlijk, voor de hele wereld, gezegd wat Ik te zeggen had; Ik heb altijd onderricht gegeven waar alle Joden samenkomen: in een synagoge of in de tempel; nooit had Ik iets in het geheim te zeggen.
[18,21] Waarom ondervraagt u Mij? Ondervraag degenen die gehoord hebben wat Ik te zeggen had: die weten heel goed wat Ik gezegd heb.’
[18,22] Op dit woord gaf een van de dienaren, die erbij stond, Jezus een klap in het gezicht en zei: ‘Is dat de manier waarop je de hogepriester antwoord geeft?’
[18,23] Waarop Jezus zei: ‘Als Ik iets verkeerd gezegd heb, toon dan aan wat er verkeerd aan was; maar als het ter zake was, waarom slaat u Me dan?’
[18,24] Toen stuurde Annas Hem geboeid naar de hogepriester Kajafas.
[18,25] Terwijl Simon Petrus zich stond te warmen, vroeg men hem: ‘Bent u soms ook een van zijn leerlingen?’ Hij ontkende het: ‘Ik? Welnee!’ zei hij.
[18,26] Toen zei een van de knechten van de hogepriester, een bloedverwant van de man bij wie Petrus een oor had afgeslagen: ‘Ik heb u toch bij Hem in de tuin gezien?’
[18,27] Opnieuw ontkende Petrus het, en op hetzelfde ogenblik kraaide er een haan.
[18,28] Men bracht Jezus toen van Kajafas naar het pretorium. Het was vroeg in de ochtend. De Joden gingen het pretorium niet binnen, om geen onreinheid op te lopen en het paaslam te kunnen eten.
[18,29] Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Welke aanklacht brengt u tegen deze man in?’
[18,30] Ze gaven hem ten antwoord: ‘Als Hij geen misdadiger was, zouden we Hem niet aan u hebben overgeleverd!’
[18,31] Daarop zei Pilatus: ‘Dan moet u Hem zelf maar volgens uw wet berechten.’ De Joden antwoordden: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’
[18,32] Zo zou het woord van Jezus in vervulling gaan waarmee Hij had aangekondigd op welke manier Hij zou sterven.
[18,33] Toen ging Pilatus het pretorium weer binnen en riep Jezus bij zich. ‘Bent U de koning van de Joden?’ vroeg hij.
[18,34] Jezus antwoordde: ‘Bent u daar zelf op gekomen of hebben anderen u over Mij verteld?’
[18,35] ‘Ben ik soms een Jood?’ zei Pilatus. ‘Uw eigen volk, uw hogepriesters, hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt U gedaan?’
[18,36] Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld. Als mijn koningschap van deze wereld was, zouden mijn dienaars er wel voor gevochten hebben dat Ik niet aan de Joden werd overgeleverd. Mijn koningschap is echter niet van deze wereld.’
[18,37] ‘U bent dus toch koning?’ zei Pilatus. ‘Ja’, zei Jezus, ‘Ik ben koning: met geen andere bestemming ben Ik geboren en in de wereld gekomen dan om te getuigen van de waarheid. Iedereen die uit de waarheid is, luistert naar mijn stem.’
[18,38] Na deze woorden kwam hij weer naar buiten en zei tegen de Joden: ‘Ik acht Hem volstrekt onschuldig.
[18,39] Maar u bent gewend dat ik ter gelegenheid van het paasfeest iemand vrijlaat. Zal Ik dus de koning van de Joden vrijlaten?’
[18,40] ‘Nee, Hem niet,’ riepen ze terug, ‘maar Barabbas!’ Barabbas was een bandiet.
[19,1] Pilatus gelastte toen Jezus te geselen.
[19,2] De soldaten vlochten een krans van doorns, zetten die op zijn hoofd en wierpen Hem een purperrode mantel om de schouders.
[19,3] Daarna kwamen ze om de beurt naar Hem toe en zeiden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’ En ze gaven Hem klappen in het gezicht.
[19,4] Pilatus kwam weer naar buiten en zei: ‘Luister, ik laat Hem naar buiten brengen om u duidelijk te maken dat ik Hem volstrekt onschuldig acht.’
[19,5] Jezus kwam dus naar buiten, met zijn doornenkrans en zijn purperrode mantel. ‘Hier is Hij dan – de mens’, zei Pilatus.
[19,6] Zodra ze Hem zagen begonnen de hogepriesters en hun dienaren te schreeuwen: ‘Kruisigen, kruisigen!’ Waarop Pilatus zei: ‘Dan moet u Hem zelf maar kruisigen; ik acht Hem onschuldig.’
[19,7] De Joden antwoordden: ‘Wij houden ons aan de wet, die zegt dat Hij ter dood gebracht moet worden omdat Hij zich voor Zoon van God uitgeeft.’
[19,8] Toen Pilatus dat hoorde, werd hij pas echt ongerust.
[19,9] Hij ging het pretorium weer binnen en stelde Jezus de vraag: ‘Waar komt U vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord.
[19,10] ‘U spreekt niet tegen Mij?’ zei Pilatus. ‘U weet toch dat ik de macht heb om U vrij te laten, maar ook de macht om U te laten kruisigen?’
[...]Er werden verzen verwijderd.
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
Er mogen niet meer dan 50 verzen geciteerd worden zonder schriftelijke toestemming!
Indien u deze tekst wil overnemen op een document, gelieve contact op te nemen met:
Katholieke Bijbelstichting
Postbus 1274
5200 BH \'s-Hertogenbosch
T +31 (0)73 613 32 20
F +31 (0)73 691 01 40