Geen teksten gevonden
[22,20] U mag een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want u hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond.
[22,21] Weduwen en wezen moet u geen onrecht aandoen.
[22,22] Als u hun tekort doet en hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal Ik gehoor geven aan hun klagen.
[22,23] Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal Ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen.
[22,24] Als u aan iemand van mijn volk geld leent, aan een noodlijdende in uw omgeving, gedraag u dan niet als een geldschieter. U mag geen rente van hem eisen.
[22,25] Als u iemands mantel in pand neemt, dan moet u die voor zonsondergang aan hem teruggeven.
[22,26] Hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken, het is de beschutting van zijn blote lichaam, hij moet erin slapen. Roept hij Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden.
[22,34] Toen de farizeeën hoorden dat Hij de sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen ze bij elkaar
[22,35] en een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem op de proef te stellen:
[22,36] ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’
[22,37] Jezus zei hem: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand.
[22,38] Dat is het grootste en eerste gebod.
[22,39] Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf.
[22,40] Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
Er mogen niet meer dan 50 verzen geciteerd worden zonder schriftelijke toestemming!
Indien u deze tekst wil overnemen op een document, gelieve contact op te nemen met:
Katholieke Bijbelstichting
Postbus 1274
5200 BH \'s-Hertogenbosch
T +31 (0)73 613 32 20
F +31 (0)73 691 01 40