[56,1] Zo spreekt de HEER, ‘Onderhoud het recht, beoefen de gerechtigheid, want de komst van mijn redding is nabij en mijn gerechtigheid wordt weldra geopenbaard.
[56,2] Gelukkig de mens die zo handelt, het mensenkind dat daaraan vasthoudt, die de sabbat onderhoudt, hem niet ontheiligt, en zijn hand ervoor behoedt om enig kwaad te doen.’
[56,3] De vreemdeling die zich bij de HEER aansluit hoeft niet te zeggen: ‘De HEER houdt mij zeker afgezonderd van zijn volk.’ Ook de castraat mag niet zeggen: ‘Ik ben maar een dorre boom.’
[56,4] ‘Want’, zo spreekt de HEER, ‘aan de castraten die mijn sabbat onderhouden, en verkiezen wat Mij aangenaam is en vasthouden aan mijn verbond,
[56,5] aan hen geef Ik in mijn huis en binnen mijn muren een gedenksteen en een naam, die zonen en dochters te boven gaan; Ik geef hun een eeuwige naam, een die nooit wordt uitgewist.
[56,6] De vreemdelingen die zich bij de HEER hebben aangesloten, om Hem te dienen en de naam van de HEER te beminnen, om zijn dienstknechten te zijn, evenals al degenen die de sabbat onderhouden, hem niet ontheiligen en vasthouden aan mijn verbond:
[56,7] hen allen laat Ik naar mijn heilige berg komen, en Ik schenk hun vreugde in mijn huis van gebed. Hun brand- en slachtoffers zijn aangenaam op mijn altaar. Want mijn huis zal heten: Huis van gebed voor alle volken.’
[11,13] Nu richt ik mij tot u die uit het heidendom gekomen bent. Ik ben apostel van de heidenen, en ik schat dit dienstwerk juist hierom zo hoog,
[11,14] omdat ik hoop mijn eigen volk tot afgunst te prikkelen en er althans enkelen van te redden.
[11,15] Want als hun verwerping de wereld verzoening heeft gebracht, wat kan dan hun aanneming anders betekenen dan leven uit de doden?
[11,16] Zijn de eerstelingen van het meel geheiligd, dan ook het deeg. Is de wortel heilig, dan ook de takken.
[11,17] Als nu sommige van die takken zijn weggebroken, en jij, wilde loot, daartussen bent geënt en deel hebt gekregen aan het sap van de olijf,
[11,18] verhef je dan niet boven de takken. Wil je je verheffen, bedenk dan dat de wortel jou draagt en niet jij de wortel.
[11,19] Je zult zeggen: ‘Er zijn toch takken weggebroken, zodat ik kon worden geënt.’
[11,20] Heel juist, zij zijn weggekapt vanwege hun ongeloof, en jij dankt je plaats aan het geloof. Maar neem je in acht, wees niet overmoedig.
[11,21] Als God de takken die aan de boom thuishoorden niet heeft ontzien, zal Hij ook jou niet sparen.
[11,22] Houd daarom Gods goedheid voor ogen, maar ook zijn strengheid: zijn strengheid voor de takken die zijn afgevallen en zijn goedheid jegens jou, als jij tenminste zijn goedheid trouw blijft. Anders word ook jij weggekapt.
[11,23] En wat hen betreft, als zij niet in hun ongeloof volharden, zullen ook zij weer worden geënt. Want God is bij machte hen opnieuw te enten.
[11,24] Jij bent van de wilde olijfboom waartoe je van nature behoort, afgebroken, en tegen je natuur in geënt op de edele olijf. Hoeveel gemakkelijker zullen zij die er van nature bij horen, weer op hun eigen stam worden geënt!
[11,25] Overschat uzelf niet, broeders en zusters. Ik wil u niet onkundig laten van dit geheim: de verstening die over een deel van Israël gekomen is, duurt slechts totdat de grote massa van de heidenvolken is binnengegaan.
[11,26] En zo zal tenslotte heel Israël gered worden, volgens de woorden van de Schrift: Uit Sion zal de redder komen en Hij zal de goddeloosheid uit Jakob verwijderen.
[11,27] Dit is het verbond dat Ik met hen zal sluiten, wanneer Ik hun zonden heb weggenomen.
[11,28] Al staan zij vijandig tegenover het evangelie omwille van u, toch blijven het Gods geliefden krachtens zijn uitverkiezing, omwille van de aartsvaders.
[11,29] Want God kent geen berouw over zijn genadegaven of zijn roeping.
[11,30] Zoals u eertijds aan God ongehoorzaam bent geweest, maar nu, dankzij hun ongehoorzaamheid, ontferming hebt gevonden,
[11,31] zo zijn zij op hun beurt nu ongehoorzaam geworden, ten gevolge van de u betoonde ontferming, opdat ook zij nu ontferming zouden vinden.
[11,32] Zo heeft God allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten, om allen in te sluiten in zijn ontferming.
[15,21] Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon.
[15,22] En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’
[15,23] Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’
[15,24] Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’
[15,25] Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’
[15,26] Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’
[15,27] Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’
[15,28] Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen.
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
Er mogen niet meer dan 50 verzen geciteerd worden zonder schriftelijke toestemming!
Indien u deze tekst wil overnemen op een document, gelieve contact op te nemen met:
Katholieke Bijbelstichting
Postbus 1274
5200 BH \'s-Hertogenbosch
T +31 (0)73 613 32 20
F +31 (0)73 691 01 40