[3,5] In Gibeon verscheen de HEER ’s nachts in een droom aan Salomo en zei: ‘Wat wilt u dat Ik u geef?’
[3,6] Salomo antwoordde: ‘U hebt uw dienaar David, mijn vader, een grote gunst bewezen, omdat hij trouw, rechtschapen en met een eerlijk hart jegens U, wandelde voor uw aangezicht. U hebt hem een zoon gegeven die nu op zijn troon zetelt.
[3,7] Welnu, HEER mijn God, U hebt uw dienaar tot koning verheven als opvolger van mijn vader David, hoewel ik maar een jonge man ben en nog niet weet wat ik doen of laten moet.
[3,8] Zo staat uw dienaar te midden van het volk dat U uitverkoren hebt, een groot volk, zo groot dat het niet te tellen of te schatten is.
[3,9] Geef dus uw dienaar een opmerkzame geest om recht te kunnen spreken voor uw volk en onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Want wie is in staat recht te spreken voor dit grote volk van U?’
[3,10] Dat Salomo dit vroeg beviel de Heer.
[3,11] En God zei tegen hem: ‘Omdat u juist dit gevraagd hebt en geen lang leven, en geen rijkdom of de dood van uw vijanden hebt gevraagd, maar alleen inzicht om recht te kunnen spreken,
[3,12] daarom voldoe Ik aan uw verzoek en geef Ik u een geest zo vol wijsheid en inzicht dat er niemand voor u was en niemand na u komt die u evenaart.
[8,28] Intussen weten wij dat voor wie God liefhebben, alles zich ten goede keert, voor hen die volgens zijn raadsbesluit geroepen zijn.
[8,29] Want wie Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om gelijkvormig te zijn aan het beeld van zijn Zoon, opdat deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.
[8,30] Wie Hij heeft voorbestemd, heeft Hij ook geroepen. Wie Hij riep, heeft Hij gerechtvaardigd, en wie Hij rechtvaardigde, heeft Hij verheerlijkt.
[13,44] Het gaat met het koninkrijk der hemelen als met een schat, in de akker verborgen. Toen iemand hem vond, verborg hij hem, en van blijdschap ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht hij die akker.
[13,45] Ook gaat het met het koninkrijk der hemelen als met een koopman op zoek naar mooie parels.
[13,46] Toen hij één kostbare parel gevonden had, ging hij alles verkopen wat hij had en kocht hij haar.
[13,47] Ook gaat het met het koninkrijk der hemelen als met een sleepnet, dat in zee werd gegooid en vissen van allerlei soort bij elkaar bracht.
[13,48] Toen het vol was, trokken ze het op de oever. Ze gingen zitten en verzamelden de goede vissen in manden; de slechte gooiden ze weg.
[13,49] Zo zal het zijn bij de voleinding van de tijd. De engelen zullen uitgaan en de kwaden tussen de rechtvaardigen uithalen
[13,50] en hen in de vuuroven gooien. Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.
[13,51] Hebben jullie dat allemaal begrepen?’ Ze zeiden Hem: ‘Ja.’
[13,52] Hij zei hun: ‘Daarom gaat het met iedere schriftgeleerde die leerling is geworden in het koninkrijk der hemelen als met een huisvader, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.’
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
Er mogen niet meer dan 50 verzen geciteerd worden zonder schriftelijke toestemming!
Indien u deze tekst wil overnemen op een document, gelieve contact op te nemen met:
Katholieke Bijbelstichting
Postbus 1274
5200 BH \'s-Hertogenbosch
T +31 (0)73 613 32 20
F +31 (0)73 691 01 40