[55,10] Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen en pas daarheen terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht en met planten bedekt, wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier, en brood aan de eter,
[55,11] zo zal het ook gaan met mijn woord. Het komt voort uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden.
[8,18] Ik ben er zelfs van overtuigd dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten staat.
[8,19] Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaarmaking van de kinderen van God.
[8,20] Want zij is onderworpen aan een zinloos bestaan, niet omdat zij het zelf wil, maar door de wil van Hem die haar daaraan onderworpen heeft. Maar zij is niet zonder hoop,
[8,21] want ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij van de vergankelijkheid, en delen in de glorierijke vrijheid van Gods kinderen.
[8,22] Wij weten immers dat de hele schepping kreunt en onder barensweeën lijdt, nog altijd.
[8,23] En niet alleen zij, ook wij zelf, die de eerstelingen van de Geest toch al hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op onze aanneming tot kinderen, op de verlossing van ons lichaam.
[13,1] Op die dag was Jezus het huis uitgegaan en Hij zat aan het meer.
[13,2] Er stroomden zoveel mensen bij Hem samen, dat Hij in een boot ging zitten, terwijl het volk allemaal op de oever stond.
[13,3] Hij vertelde hun veel door middel van gelijkenissen: ‘Een zaaier ging het land op om te zaaien.
[13,4] En bij het zaaien viel er een deel op het pad, en de vogels kwamen het opeten.
[13,5] Een ander deel viel op de rotsgrond, waar het niet veel aarde had, en het kwam meteen op, doordat het geen diepe grond had.
[13,6] Toen de zon opkwam, verschroeide het, en doordat het geen wortel had, verdorde het.
[13,7] Weer een ander deel viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het.
[13,8] Weer een ander deel viel in goede aarde en leverde vrucht op: honderdvoudig, zestigvoudig, of dertigvoudig.
[13,9] Wie oren heeft, moet horen.’
[13,10] De leerlingen kwamen Hem vragen: ‘Waarom spreekt U tot hen in gelijkenissen?’
[13,11] Hij gaf hun ten antwoord: ‘Jullie is het gegeven de geheimen van het koninkrijk der hemelen te verstaan, maar hun niet.
[13,12] Want aan degene die heeft, zal gegeven worden, en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft.
[13,13] Hierom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat ze kijken en niet zien, luisteren en niet horen en begrijpen.
[13,14] In hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met uw oren zult u horen en niet begrijpen, met uw ogen zult u kijken en niet zien.
[13,15] Want het hart van dit volk is verhard; met hun oren luisteren ze slecht en hun ogen houden ze dicht, opdat ze met hun ogen niet zien, en met hun oren niet horen, opdat ze met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.
[13,16] Gelukkig zijn jullie, omdat jullie ogen zien en omdat jullie oren horen.
[13,17] Want Ik verzeker jullie, veel profeten en rechtvaardigen hadden willen zien wat jullie zien en zij hebben het niet gezien, en hadden willen horen wat jullie horen, maar zij hebben het niet gehoord.
[13,18] Luisteren jullie dan naar de gelijkenis van de zaaier.
[13,19] Telkens wanneer iemand het woord van het koninkrijk hoort en het niet begrijpt, komt de boze en rooft weg wat in zijn hart is gezaaid. Dat is degene die op het pad is gezaaid.
[13,20] Die op de rotsgrond is gezaaid, dat is degene die het woord hoort en meteen met vreugde aanneemt.
[13,21] Hij is niet echt geworteld, hij is iemand van het ogenblik; als er dan onderdrukking of vervolging ontstaat vanwege het woord, komt hij meteen ten val.
[13,22] Die tussen de distels is gezaaid, dat is degene die het woord hoort; maar de zorgen om het bestaan en de begoocheling van de rijkdom verstikken het woord, en hij blijft zonder vrucht.
[13,23] Die in goede aarde is gezaaid, dat is degene die het woord hoort en begrijpt en die draagt dan vrucht: de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig, weer een ander dertigvoudig.’
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
Er mogen niet meer dan 50 verzen geciteerd worden zonder schriftelijke toestemming!
Indien u deze tekst wil overnemen op een document, gelieve contact op te nemen met:
Katholieke Bijbelstichting
Postbus 1274
5200 BH \'s-Hertogenbosch
T +31 (0)73 613 32 20
F +31 (0)73 691 01 40