[19,2] Zij waren vertrokken uit Refidim en kwamen aan in de Sinaiwoestijn, waar zij dicht bij de berg hun kamp opsloegen.
[19,3] Mozes ging de berg op, naar God. Toen hij boven was, sprak de HEER hem daar aan en zei: ‘Dit moet u zeggen tegen het huis van Jakob en moet u de zonen van Israël laten weten.
[19,4] Met eigen ogen hebt u gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, hoe Ik u op arendsvleugelen heb gedragen en hier bij Mij gebracht heb.
[19,5] Als u naar mijn woord luistert en mijn verbond onderhoudt, dan zult u van alle volken mijn bijzondere eigendom zijn, want aan Mij behoort de aarde.
[19,6] U zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn. Deze woorden moet u aan de Israëlieten overbrengen.’
[5,6] Want Christus is voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren.
[5,7] Je zult je leven niet snel geven voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand de moed hebben te sterven voor een goed mens.
[5,8] God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor dat Christus voor ons is gestorven toen wij nog zondaars waren.
[5,9] Des te zekerder is het dat wij, eenmaal gerechtvaardigd door zijn bloed, dankzij Hem gered worden van de toorn.
[5,10] Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder is het dat wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven.
[5,11] En dat niet alleen: nu reeds roemen wij op God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen.
[9,36] Bij het zien van de mensenmenigte werd Hij diep bewogen door hen, omdat ze geplaagd en gebroken waren als schapen zonder herder.
[9,37] Toen zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.
[9,38] Vraag dus de eigenaar van de oogst om arbeiders in te zetten voor zijn oogst.’
[10,1] Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en elke ziekte en elke kwaal te genezen.
[10,2] De namen van de twaalf apostelen zijn deze: allereerst Simon, die Petrus genoemd wordt, en dan Andreas, zijn broer, Jakobus van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer,
[10,3] verder Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus van Alfeüs en Taddeüs,
[10,4] Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die Hem overgeleverd heeft.
[10,5] Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: ‘Sla de weg naar de heidenen niet in, en ga een stad van de Samaritanen niet binnen.
[10,6] Maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël.
[10,7] Verkondig op je tocht: “Het koninkrijk der hemelen is ophanden!”
[10,8] Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit. Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moet je geven.
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
Er mogen niet meer dan 50 verzen geciteerd worden zonder schriftelijke toestemming!
Indien u deze tekst wil overnemen op een document, gelieve contact op te nemen met:
Katholieke Bijbelstichting
Postbus 1274
5200 BH \'s-Hertogenbosch
T +31 (0)73 613 32 20
F +31 (0)73 691 01 40