[11,18] Prent mijn woorden in uw hart en in uw ziel, bind ze als een teken op uw hand en draag ze als een band om uw voorhoofd.
[11,19] Onderwijs ze aan uw kinderen door er telkens opnieuw met hen over te spreken, wanneer u thuis bent of onderweg, wanneer u slapen gaat en opstaat.
[11,20] Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad.
[11,21] Dan zullen u en uw kinderen op de grond die de HEER uw vaderen beloofde even lang blijven leven als de hemel boven de aarde staat.
[11,22] Als u de geboden die ik u geef nauwgezet onderhoudt, als u de HEER uw God bemint, als u zijn wegen gaat en Hem aanhangt,
[11,23] dan zal Hij al die volken voor u verjagen en zult u volken, groter en machtiger dan u, uit hun bezit verdrijven.
[11,24] Iedere plek die uw voeten betreden zal u toebehoren; van de woestijn tot de Libanon en van de Eufraat tot de zee in het westen zal uw gebied zich uitstrekken.
[11,25] Niemand zal u kunnen weerstaan: in heel het gebied waar u komt brengt de HEER uw God ontzag en schrik teweeg, zoals Hij beloofd heeft.
[11,26] Ik houd u vandaag zegen en vloek voor:
[11,27] zegen als u gehoorzaamt aan de geboden van de HEER, die ik u vandaag geef;
[11,28] vloek als u zijn geboden niet gehoorzaamt en afwijkt van de weg die ik u vandaag voorschrijf, door achter andere goden aan te lopen, die u niet kent.
[3,21] Thans is echter, buiten de wet om, Gods gerechtigheid openbaar geworden, waarvan de Wet en de Profeten getuigenis afleggen:
[3,22] Gods gerechtigheid, die zich door het geloof in Jezus Christus meedeelt aan allen die geloven, zonder enig onderscheid.
[3,23] Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid.
[3,24] Allen worden gratis door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is.
[3,25] Voor wie gelooft heeft God Hem aangewezen als middel van verzoening door zijn bloed. God wilde zo zijn gerechtigheid tonen, door in zijn verdraagzaamheid de zonden van het verleden te laten passeren.
[3,26] Hij heeft zijn gerechtigheid nu willen tonen, in onze tijd, opdat zou blijken dat Hijzelf rechtvaardig is door ieder rechtvaardig te maken die leeft vanuit het geloof in Jezus.
[3,27] Waar blijft dan de eigen roem? Die is onmogelijk geworden! Door welke wet? Door die van de werken? Nee, door de wet van het geloof.
[3,28] Ik beweer juist dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden.
[7,21] Niet ieder die Heer! Heer! tegen Mij zegt, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar alleen hij die de wil doet van mijn Vader in de hemel.
[7,22] Velen zullen Mij op die dag zeggen: “Heer! Heer! Hebben we niet in uw naam geprofeteerd, hebben we niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben we niet in uw naam veel machtige daden gedaan?”
[7,23] Maar dan zal Ik hun openlijk zeggen: “Nooit heb Ik u gekend. Verdwijn uit mijn ogen, overtreders van Gods wet!”
[7,24] Ieder die Mij hoort en doet wat Ik zeg, zal het vergaan als een verstandig man die zijn huis bouwde op de rots.
[7,25] De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de wind stak op en ze stortten zich op dat huis, en het stortte niet in, want het was op de rots gegrondvest.
[7,26] Ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal het vergaan als een domme man die zijn huis bouwde op zand.
[7,27] De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de wind stak op en ze sloegen tegen dat huis, en het stortte in: het werd één grote ruïne.’
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
Er mogen niet meer dan 50 verzen geciteerd worden zonder schriftelijke toestemming!
Indien u deze tekst wil overnemen op een document, gelieve contact op te nemen met:
Katholieke Bijbelstichting
Postbus 1274
5200 BH \'s-Hertogenbosch
T +31 (0)73 613 32 20
F +31 (0)73 691 01 40