[9,1] Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op.
[9,2] Uitbundig laat U hen juichen en U overstelpt hen met vreugde; zij verheugen zich voor uw aanschijn zoals er vreugde is bij de oogst en gejuich bij het verdelen van de buit.
[9,3] Want het drukkende juk, de stang op hun schouders, de stok van de drijver, U breekt ze stuk als op de dag van Midjan.
[9,4] Want alle dreunend stampende laarzen en met bloed doordrenkte mantels worden verbrand, en verteerd door het vuur.
[9,5] Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst.
[9,6] Groot is de macht en eindeloos de vrede voor de troon van David, voor zijn koninkrijk; hij zal het stichten en onderhouden door recht en gerechtigheid vanaf nu en voor altijd. De geestdriftige liefde van de HEER van de machten zal dit teweegbrengen.
[2,11] Want de genade van God is verschenen, bron van redding voor alle mensen,
[2,12] die ons leert af te zien van goddeloosheid en wereldse begeerten, en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze wereld,
[2,13] in afwachting van het geluk waarop we hopen, de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en onze redder Jezus Christus.
[2,14] Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen, ons te reinigen en ons tot zijn eigen volk te maken, vol ijver voor goede werken.
[2,1] In die dagen vaardigde keizer Augustus een decreet uit dat de hele wereld zich moest laten registreren.
[2,2] Deze eerste registratie vond plaats toen Quirinius gouverneur van Syrië was.
[2,3] Allen gingen op weg om zich te laten inschrijven, ieder in zijn eigen stad.
[2,4] Zo ook Jozef; hij ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David, Betlehem genaamd, omdat hij uit het huis van David stamde,
[2,5] om zich te laten inschrijven, samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was.
[2,6] Terwijl ze daar waren kwam voor haar de tijd dat ze moest bevallen,
[2,7] en ze baarde een zoon, haar eerstgeborene; ze wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een voerbak, omdat er geen plaats voor hen was in het gastenverblijf.
[2,8] Er waren daar in de buurt herders, die in het veld overnachtten om de wacht te houden bij hun kudde.
[2,9] Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen. Ze schrokken hevig.
[2,10] Maar de engel zei: ‘Schrik niet, want ik heb een goede boodschap voor u, een grote vreugde voor het hele volk.
[2,11] Vandaag is in de stad van David uw redder geboren; Hij is de Messias, de Heer.
[2,12] Dit is het teken voor u: u zult een kind vinden dat in doeken is gewikkeld en in een voerbak ligt.’
[2,13] Plotseling was er bij de engel een heel leger uit de hemel; ze loofden God met de woorden:
[2,14] ‘Glorie aan God in de hoogste hemel, en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij een welgevallen heeft.’- - - Een project van de Katholiek Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
Er mogen niet meer dan 50 verzen geciteerd worden zonder schriftelijke toestemming!
Indien u deze tekst wil overnemen op een document, gelieve contact op te nemen met:
Katholieke Bijbelstichting
Postbus 1274
5200 BH \'s-Hertogenbosch
T +31 (0)73 613 32 20
F +31 (0)73 691 01 40