Preken Online

  • Full Screen
  • Wide Screen
  • Narrow Screen
  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size
Liturgische kalender: 4e zondag in de veertigdagentijd (A)

Preken op de site

Vieringen op de site

Vieringen om de downloaden

OVERZICHT

Eerste lezing: 1Sam. 16,1.6-7.10-13

[16,1] Daarom sprak de HEER tot Samuël: ‘Hoe lang zult u nog treuren over Saul, terwijl Ik hem heb verworpen en hij geen koning meer zal zijn over Israël? Vul een hoorn met olie: Ik zend u naar Isaï de Betlehemiet, want een van zijn zonen heb Ik voor het koningschap bestemd.’

[16,6] Toen zij aankwamen, viel zijn blik op Eliab en hij dacht: ‘Die daar voor de HEER staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!’

[16,7] Maar de HEER zei tegen Samuël: ‘Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte; hem wil Ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’

[16,10] Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor, maar Samuël zei tegen Isaï: ‘Geen van hen heeft de HEER uitverkoren.’

[16,11] Daarop vroeg hij aan Isaï: ‘Zijn dat al uw jongens?’ Hij antwoordde: ‘Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.’ Toen zei Samuël tegen Isaï: ‘Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel voordat hij hier is.’

[16,12] Isaï liet hem dus halen. De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen. Nu zei de HEER: ‘Hem moet u zalven: hij is het.’

[16,13] Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Vanaf die dag was de geest van de HEER over David. Daarna vertrok Samuël en ging hij naar Rama.

Tweede lezing: Ef. 5,8-14

[5,8] Want eens was u duisternis, maar nu bent u licht door uw verbondenheid met de Heer. Leef als kinderen van het licht,

[5,9] want de vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid, waarheid.

[5,10] Probeer te ontdekken wat de Heer welgevallig is.

[5,11] Neem geen deel aan de onvruchtbare praktijken van de duisternis, stel ze liever aan de kaak.

[5,12] Want wat deze mensen in het geheim uitvoeren, is zo schandelijk dat men er maar beter niet over kan spreken.

[5,13] Alles wat door het licht aan de kaak wordt gesteld, wordt openbaar.

[5,14] En alles wat openbaar wordt, is licht. Daarom wordt gezegd: Ontwaak, slaper, sta op uit de doden, en Christus zal over u stralen.

Evangelie: Joh. 9,1-41

[9,1] Bij het naar buiten gaan zag Hij een man die al vanaf zijn geboorte blind was.

[9,2] Zijn leerlingen vroegen Hem: ‘Rabbi, waarom is hij blind geboren? Heeft hij dat te wijten aan zijn eigen zonde of aan die van zijn ouders?’

[9,3] Jezus antwoordde: ‘Niet aan zijn eigen zonde, en evenmin aan die van zijn ouders. Nee, de daden van God moeten in hem openbaar worden.

[9,4] We moeten de daden van Hem die Mij gezonden heeft, verrichten zolang het dag is; de nacht komt, en dan kan men niet werken.

[9,5] Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.’

[9,6] Na deze woorden spuwde Hij op de grond, maakte wat slijk van zand en speeksel en streek dat op de ogen van de blinde.

[9,7] Daarna zei Hij tegen hem: ‘Vooruit, ga u wassen in het Siloambad.’ (Siloam wil zeggen: gezondene.) De man ging ernaartoe, waste zich en kwam ziende terug.

[9,8] Zijn buren en degenen die hem voordien vaak hadden gezien – hij was namelijk een bedelaar – zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’

[9,9] ‘Inderdaad’, zeiden sommigen. ‘Welnee,’ zeiden anderen, ‘maar hij lijkt er wel op.’ Maar hijzelf zei: ‘Toch wel, ik ben het.’

[9,10] ‘Maar wat is er dan met je ogen gebeurd, dat je nu ineens kunt zien?’ vroegen ze.

[9,11] Hij antwoordde: ‘Een zekere Jezus maakte wat slijk en streek dat op mijn ogen. Toen zei Hij: “Ga nu naar de Siloam om u te wassen.” Ik ben dus gegaan, en toen ik mij gewassen had, kon ik zien.’

[9,12] ‘Waar is die man?’ vroegen ze. ‘Dat weet ik niet’, zei hij.

[9,13] Ze brachten de man die blind geweest was bij de farizeeën.

[9,14] Nu was de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen had geopend, een sabbat.

[9,15] Daarom stelden ook de farizeeën hem de vraag hoe het kwam dat hij nu kon zien. Hij antwoordde: ‘Hij deed wat slijk op mijn ogen, ik heb me gewassen en nu zie ik.’

[9,16] ‘Zo iemand komt niet van God,’ oordeelden sommige farizeeën, ‘want Hij houdt de sabbat niet.’ Anderen merkten op: ‘Maar hoe zou een zondaar zulke tekenen kunnen verrichten?’ Kortom, er was verdeeldheid onder hen.

[9,17] Ze richtten zich toen opnieuw tot de blinde: ‘Wat denk jij ervan? Hij heeft toch je ogen geopend!’ ‘Dat Hij een profeet is’, antwoordde hij.

[9,18] De Joden wilden niet geloven dat de man die nu kon zien ooit blind was geweest, zolang ze zijn ouders er niet bij geroepen hadden

[9,19] en hun de vraag hadden gesteld: ‘Is dit wel degelijk die zoon van u die volgens uw zeggen blind geboren is? Hoe komt het dan dat hij nu kan zien?’

[9,20] De ouders antwoordden: ‘We weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is.

[9,21] Maar hoe het komt dat hij nu kan zien, dat weten we niet. En wie zijn ogen geopend heeft, dat weten we evenmin. Dat kunt u beter aan hem vragen: hij is oud genoeg, hij kan zelf zijn woord wel doen.’

[9,22] Zijn ouders spraken zo omdat ze bang waren voor de Joden. Want die hadden ondertussen besloten dat iedereen die Jezus als de Messias erkende, uit de synagoge gebannen zou worden.

[9,23] Dat was de reden waarom zijn ouders zeiden: ‘Hij is oud genoeg, vraag het maar aan hem.’

[9,24] Toen riepen ze de man die blind was geweest voor een tweede verhoor bij zich: ‘Wees nu eens eerlijk voor God! We weten dat die man een zondaar is.’

[9,25] Maar hij antwoordde: ‘Of Hij een zondaar is, daar weet ik niets van. Wat ik wel weet, is dat ik eerst blind was en nu kan zien.’

[9,26] ‘Wat heeft Hij met je gedaan?’ vroegen ze. ‘Hoe heeft Hij je ogen geopend?’

[9,27] ‘Dat heb ik toch al verteld,’ antwoordde hij, ‘maar u hebt niet geluisterd. Waarom wilt u het nog eens horen? Wilt u soms ook leerlingen van Hem worden?’

[9,28] Toen werden ze grof en zeiden: ‘Jij bent een leerling van Hem, wij zijn leerlingen van Mozes.

[9,29] Wij weten dat God heeft gesproken tot Mozes; maar waar Hij vandaan komt, daar weten we niets van.’

[9,30] Hierop gaf de man ten antwoord: ‘Maar is dat nu juist niet merkwaardig, dat mensen als u niet weten waar Hij vandaan komt? En Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.

[9,31] Naar zondaars luistert God niet, dat weet toch iedereen. Maar naar iemand die ontzag voor Hem heeft en zijn wil doet, naar zo iemand luistert Hij.

[9,32] Nog nooit heeft men gehoord dat een mens de ogen heeft geopend van iemand die als blinde geboren was.

[9,33] Als die man niet van God kwam, had Hij dat nooit gekund.’

[9,34] Toen voeren ze tegen hem uit: ‘Wat? Jij die vanaf je geboorte een en al zonde bent, jij wilt ons de les lezen?’ En ze gooiden hem eruit.

[9,35] Jezus hoorde dat ze hem eruit gegooid hadden, en toen Hij hem teruggevonden had, zei Hij: ‘Gelooft u in de Mensenzoon?’

[9,36] Hij antwoordde: ‘Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.’

[9,37] Toen zei Jezus: ‘U hebt Hem ontmoet: het is degene die met u spreekt.’

[9,38] ‘Heer, ik geloof’, zei hij, en hij wierp zich voor Hem neer.

[9,39] Daarop zei Jezus: ‘Een duidelijke scheiding ben Ik in deze wereld komen brengen: de niet-zienden zullen zien, en de zienden zullen blind worden.’

[9,40] Enkele farizeeën in de buurt hadden dit gehoord en vroegen: ‘Zijn wij soms ook blind?’

[9,41] Jezus antwoordde: ‘Was u maar blind! Dan zou u zonder zonde zijn. Maar u beweert dat u ziet. En daarom zit u vast in uw zonde.- - Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2012.- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties



< terug naar overzicht
You are here: A-cyclus Vasten 4e zondag 4e zondag in de veertigdagentijd (A)